Algemene Regels
De onderstaande algemene regels gelden voor alle spelvormen,
behalve wanneer ze expliciet tegengesproken worden door de specifieke
spelregels van de gebruikte spelvorm
3.1 De tafel, ballen en
uitrusting
Alle onderstaande regels zijn opgesteld voor het spelen op tafels
en met ballen en uitrusting die voldoen aan de normen opgelegd door de World
Pocket-Billiard Association.
3.2 De ballen opzetten
Bij het opzetten van de ballen moet altijd gebruik gemaakt worden
van een driehoek. De bal in de bovenhoek wordt op het voetpunt gespot, alle
andere genummerde ballen komen achter deze bal. De ballen dienen zodanig
opgezet te worden dat alle ballen elkaar raken. Indien dit niet lukt heeft de
openende speler het recht om zelf het rack op te zetten of te accepteren.
Wanneer de wedstrijd gearbitreerd wordt door een scheidsrechter die opzet heeft
de opende speler geen recht van inspraak over het opgezette rack.
3.3 Het spelen van de
speelbal
De speelbal mag alleen met behulp van de pomerans gespeeld worden,
indien dit niet gebeurt maakt men een foul.
3.4 Call shot
Voor spelvormen waarbij call shot van toepassing is, moet de
speler de te potten genummerde bal en bijbehorende pocket nomineren alvorens
hij stoot. Deze bal hoeft niet als eerste te worden geraakt, ook hoeft niet te
worden aangegeven hoe er gespeeld gaat worden (via carambol, combinatie, band,
etc.). Alle extra gepotte ballen tijdens een geldige stoot worden in het
voordeel van de speler meegeteld.
3.5 Geen ballen potten
Een speler, die geen bal pot tijdens een geldige stoot, verliest
zijn beurt. De tegenspeler komt dan aan tafel.
3.6 Bepalen van de
beginnende speler ('lag')
Om te bepalen welke speler mag beginnen gaat men als volgt te werk.
Beide spelers krijgen een gelijkwaardige bal voor wat betreft gewicht en
grootte (het liefst twee speelballen, of anders twee volle genummerde ballen)
in de hand achter de hoofdlijn. Ze spelen hun bal 'gelijktijdig' (voor de bal
van de tegenspeler de band aan de voet van de tafel raakt). Indien één van
beide spelers te laat stoot wordt de lag opnieuw gespeeld.
De speler wiens bal het dichtst bij de hoofdband stil komt te
liggen, mag bepalen wie als eerste breakt.
De speler wiens bal het dichtst bij de hoofdband stil komt te
liggen, mag bepalen wie als eerste breakt.
Men verliest automatisch deze lag indien:
1. zijn bal op de tafelhelft van de tegenspeler terechtkomt,
2. als zijn bal de voetband niet raakt,
3. als zijn bal de voetband meer dan eens raakt,
4. als zijn bal gepot wordt,
5. als men een lange band raakt,
6. als men zijn bal uit de tafel speelt of
7. als zijn bal stil komt te liggen 'tussen de kaken' van de
hoekpocket met zijn middelpunt voorbij de rand van de hoofdband.
In het geval dat beide spelers één van deze fouten maakt of
wanneer niet kan worden bepaald welke bal het dichtst bij de hoofdband ligt
wordt de lag opnieuw gespeeld.
3.7 Openende break
De openende break wordt bepaald door lag of toss. (De lag procedure
is noodzakelijk voor toernooien en andere formele wedstrijden.) De speler die
de lag of toss wint mag kiezen wie de openende break speelt.
3.8 Speelbal bij
break
De break wordt gespeeld met de speelbal in de hand achter de
hoofdlijn. De genummerde ballen worden opgezet overeenkomstig met de specifieke
spelregels van de gespeelde spelvorm.
Het spel wordt begonnen beschouwd zodra de speelbal met de
pomerans over de hoofdlijn is gespeeld.
3.9 Af laten wijken van
de speelbal tijdens de break
Het tegenhouden of laten afwijken van de speelbal nadat die de
hoofdlijn gekruist heeft of voordat hij de opgelegde genummerde ballen heeft
geraakt, is een foul en betekent beurtverlies. De tegenspeler krijgt de
speelbal in de hand achter de hoofdlijn of mag de speelbal teruggeven aan de
speler in overtreding (uitzondering bij 9-ball, zie regel 5.3) De foulende
speler zal gewaarschuwd worden dat een tweede gelijkaardige overtreding
gedurende de wedstrijd verlies met forfaitcijfers zal betekenen. (Zie regel 3.29)
3.10 Speelbal in
de hand achter de hoofdlijn
Bij een aantal specifieke situaties bij 8-ball en 14.1 krijgt een
speler de speelbal in de hand achter de hoofdlijn.
Hij mag de speelbal dan naar eigen keuze overal in het hoofdveld
(achter en niet op de hoofdlijn) leggen.
De speler mag dan op elke bal spelen die met zijn middelpunt
buiten het hoofdveld (voorbij of op de hoofdlijn) ligt. Wil men toch een bal in
het hoofdveld spelen, dan moet de speelbal eerst minstens één band buiten het
hoofdveld geraakt hebben voordat hij de bewuste bal in het hoofdveld raakt. Bij
speelbal in de hand achter de hoofdlijn is het dus niet toegestaan om
rechtstreeks op een bal in het hoofdveld te spelen.
Als de speler de speelbal onopzettelijk op of voorbij de hoofdlijn
legt, dan zal de scheidsrechter of de tegenspeler hem daar attent op moeten
maken voor er gestoten wordt. Gebeurt dat niet of komt de mededeling te laat,
dan wordt de stoot als geldig beschouwd. Indien een speler te horen krijgt dat
de positie van de speelbal niet correct is, dan moet hij deze corrigeren. Als
een speler de bal meer dan één bal dikte buiten het hoofdveld plaatst en stoot
kan de scheidsrechter of de tegenspeler dit als een foul bestempelen.
De speelbal blijft 'in de hand' (en dus niet in het spel) tot hij
met de pomerans over de hoofdlijn gespeeld is. Zolang hij 'in de hand' is, mag
de speelbal met de hand, de keu, enz. verplaatst worden. Vanaf het moment dat
er gestoten is, mag de speelbal op geen enkele manier beroerd worden. Indien
dit toch gebeurt, begaat men een foul. (Zie ook regel 3.39 en 3.40)
3.11 Gepotte ballen
Een bal wordt als gepot beschouwd als hij na een geldige stoot in
een pocket terechtkomt en daarin blijft liggen. (Een bal die uit een collectormechanisme
op de grond valt is een bal die gepot is). Een bal die uit een pocket terug op
tafel springt, is niet gepot (indien dit met de speelbal gebeurt, is regel 3.20
van toepassing).
3.12 Positie van de ballen
De positie van een bal wordt bepaald door waar zijn middelpunt
zich bevindt.
3.13 Voet op de grond
Het is een foul als een speler stoot terwijl hij niet met minstens
één voet de grond raakt. Schoeisel moet 'normaal' zijn voor wat betreft vorm,
grootte en draagwijze.
3.14 Stoten terwijl er nog
ballen bewegen
Het is een foul als een speler stoot voordat alle ballen tot
stilstand zijn gekomen, een tollende bal is in beweging.
3.15 Einde van een stoot
Een stoot is niet beëindigd (en telt dus nog niet) totdat alle
ballen op de tafel tot stilstand zijn gekomen.
3.16 Definitie van
het hoofdveld (kitchen)
Het hoofdveld bevat de hoofdlijn niet. Een genummerde bal die met
zijn middelpunt op de hoofdlijn ligt, ligt dus niet in het hoofdveld en mag dus
aangespeeld worden als er van achter de hoofdlijn (speelbal in de hand achter
de hoofdlijn) gespeeld moet worden. De speelbal moet zo ook achter en niet op
de hoofdlijn gelegd worden als deze in hand achter de hoofdlijn is.
3.17 Algemene
regel voor alle fouls
Alhoewel de sancties voor fouls van spel tot spel en van situatie
tot situatie kunnen verschillen, is het volgende altijd geldig:
1. de beurt is over
2. indien de foul tijdens een stoot gemaakt wordt, is die stoot
ongeldig en worden eventueel gepotte ballen niet toegekend aan de spelersscore
en
3. tijdens een foul gepotte ballen worden enkel gerespot als de
specifieke spelregels dit voorschrijven.
3.18 Het niet raken van
een geldig genummerde bal, wegspelen van rakende ballen
Het is een foul wanneer tijdens een stoot de speelbal niet eerst
contact maakt met een geldige genummerde bal. Van een rakende bal afspelen telt
niet als het hebben geraakt van die bal.
3.19 Definitie van
een geldige/legale stoot
Tenzij door de specifieke spelregels wordt tegengesproken, moet
een speler om een geldige stoot uit te voeren eerst een geldig genummerde bal
raken, en daarna
1. een genummerde bal potten of
2. de speelbal of een van de genummerde ballen een band laten
raken. Gebeurt dit niet, dan maakt men een foul.
3.20 De speelbal potten
(Scratch)
Het is een foul als bij een stoot de speelbal wordt gepot. Als de
speelbal vanuit een pocket terug op tafel springt zonder in die pocket
aanwezige genummerde ballen geraakt te hebben, dan is hij niet gepot. Raakt hij
wel een genummerde bal die reeds gepot was (bijv. in een volle pocket), dan is
de speelbal wel gepot en is het dus een foul, ook al komt de speelbal terug op
tafel terecht.
3.21 Fouls door aanraken
van de ballen
Het enige contact dat met een op tafel liggende bal is toegestaan,
is dat van de pomerans met de speelbal tijdens de uitvoering van een legale
stoot of dat met de hand, keu, etc. met de speelbal wanneer deze 'in de hand'
is. Elk ander contact met op tafel liggende ballen (met lichaam, kleding,
krijt, brug, keu, etc.) is een foul.
Als de wedstrijd geleid wordt door een scheidsrechter, dan moet
die iedere genummerde bal die zo verplaatst is weer zo goed mogelijk op zijn
oorspronkelijke plaats terugleggen, de aan tafel komende speler heeft hier geen
enkele inspraak over.
3.22 Fouls bij het
plaatsen van de bal in de hand
Wanneer men bij het neerleggen van de speelbal 'in de hand' één of
meer op tafel liggende genummerde ballen aanraakt, dan maakt men een foul.
3.23 Fouls bij dubbel
contact
Als de speelbal vastligt tegen (en dus niet dicht op) een geldig
aanspeelbare genummerde bal, dan mag men in die richting spelen zolang er op
een normale wijze gestoten wordt. Als de keu de speelbal meerdere malen raakt
of als de keu de speelbal raakt nadat deze de genummerde bal raakt is dit een
foul. Indien er een andere bal dichtbij ligt, moet men oppassen geen foul op
die bal te maken na het wegspelen van de speelbal van de vastliggende
genummerde bal.
3.24 Fouls bij 'duwstoten'
Het is een foul wanneer de speelbal door de pomerans geduwd wordt,
wat inhoud dat de speelbal al een rollende beweging heeft ingezet tijdens
contact met de pomerans.
3.25 Verantwoordelijkheden
van de spelers
Een speler is zelf verantwoordelijk voor het krijt, bruggen en
andere hulpstukken die hij gebruikt of tot dichtbij de tafel brengt. Als hij
bijvoorbeeld een stuk krijt laat vallen of van een brug afschiet en er wordt
contact gemaakt met één of meerdere op de tafel liggende ballen, dan begaat hij
een foul.
3.26 Ballen scheppen
Het is een foul indien een speler de speelbal onder het centrum
raakt (scheppen) en hem opzettelijk van het laken omhoog laat komen in een
poging om over een in de weg liggende bal te springen. Zulke 'jump-shots'
kunnen per ongeluk voorkomen, en worden dan niet als foul bestempeld indien
alleen de pomerans in aanraking is geweest met de speelbal. Indien bijv. de
ferrule of shaft van de keu de speelbal gedurende de stoot de speelbal heeft
geraakt is er wel sprake van een foul. (Wanneer een bank shot gespeeld wordt en
de bal springt op bij contact met de band wordt er geen foul begaan, indien de
stoot geldig is.)
3.27 Jump shots
Tenzij door specifieke regels anders vermeld is het toegestaan de
speelbal van het laken omhoog te laten komen door hem boven het midden met
omhooggeheven keu aan te spelen. Iedere schampstoot bij een dergelijke stoot is
per definitie een foul. De minimum lengte van een keu moet minimaal 101,3 cm (=
40 inch) lang zijn, wanneer een speler bij een jump shot een kortere keu
gebruikt begaat hij een foul.
3.28 Ballen die van de
tafel afspringen
Ballen die tot stilstand komen op een andere plaats dan het laken
zijn van de tafel afgesprongen ballen. Als er ballen van de tafel afspringen
maakt men een foul.
Ballen die op de banden, randen van de tafel of de pockets botsen
en daarna uit eigen beweging terug op het laken terechtkomen, worden niet
beschouwd als van de tafel afgesprongen.
Als ze echter iets raken wat geen vast onderdeel van de tafel is
(zoals verlichting, krijt op de banden, etc.) zullen ze als van de tafel
afgesprongen worden beschouwd, zelfs als ze nadien terug op het laken uitkomen.
Alle van tafel gesprongen genummerde ballen worden 'gerespot'
(behalve bij 8- en 9-ball) zodra alle ballen tot stilstand zijn gekomen. Zie de
specifieke spelregels voor het in spel brengen van de van tafel gespeelde
speelbal.
3.29 Opzettelijke
fouls
Overeenkomstig met regel 3.21 en tenzij bij een 'bal in de
hand'-situatie is het een foul indien de speelbal met iets anders dan de
pomerans aangeraakt wordt. Maakt men toch zulk contact en wordt het door de
scheidsrechter als opzettelijk beoordeeld, dan zal die de speler waarschuwen
dat een tweede dergelijke foul zal leiden tot het verlies van de wedstrijd met
forfaitcijfers. Indien er geen scheidsrechter aan tafel staat ligt de
beslissing bij de wedstrijdleiding.
3.30 Aantal fouls per beurt
Tenzij anders vermeld in de spelregels, zal er slechts één foul
worden aangerekend per spelbeurt. Als meerdere sancties mogelijk zijn, zal
enkel de zwaarst mogelijke van toepassing zijnde sanctie die op dat moment
toegepast kan worden opgelegd worden. Altijd kan de Tuchtcommissie op een later
tijdstip zwaardere sancties opleggen (bijv. schorsingen).
3.31 Uit zichzelf
bewegende ballen
Als een bal 'zich legt' of op welke andere wijze uit zichzelf
beweegt, blijft hij in deze nieuwe positie liggen en wordt er vanuit deze
nieuwe situatie verder gespeeld. Een bal die, na vijf seconden bewegingloos te
zijn geweest, in een pocket valt, wordt zo goed als mogelijk op zijn vorige
positie terug gelegd, waarna het spel normaal doorgaat.
Indien na de stoot de bal waarop men mikt uit eigen beweging in
een pocket valt zodat de speelbal over de oorspronkelijke plaats van die bal
rolt, worden alle verplaatste ballen teruggelegd en speelt men de stoot
opnieuw. (Zie ook regel 3.35)
3.32 Ballen 'spotten'
Genummerde ballen die volgens één of andere spelregel terug op
tafel moeten komen, worden na de stoot op de lange lijn gelegd. Eén enkele bal
plaatst men op het voetpunt, moeten er meerdere ballen gerespot worden, dan
gebeurt dat in numerieke volgorde, oplopend in de richting van de voetband.
Indien er ballen in de weg liggen, dan worden de te spotten ballen
daar vast tegen gelegd zonder ze te bewegen. Is het de speelbal die in de weg
ligt, dan worden de te spotten ballen er zo dicht mogelijk tegen gelegd zonder
hem te raken.
Indien er onvoldoende plaatst is op de lange lijn in de richting
van de voetband, dan worden de overblijvende terug te leggen ballen aan de
andere kant van het voetpunt gelegd, in het verlengde van de lange lijn,
numeriek oplopend in de richting van het centrum van de tafel en met
inachtneming van dezelfde voorzorgen in het geval van in de weg liggende ballen.
3.33 Geblokkeerde
ballen
Als twee of meer ballen tussen de 'kaken' van een pocket
geblokkeerd zijn en minstens één ervan 'n de lucht hangt', zal de
scheidsrechter visueel of fysisch de ballen verticaal naar beneden projecteren
en nagaan of een bal zo al dan niet in de pocket terecht zou komen. Ballen die
naar zijn mening zo in de pocket terecht zouden komen, worden ook daadwerkelijk
gepot, de andere ballen worden op de speeltafel gelegd. Het spel gaat daarna
verder alsof er geen geblokkeerde ballen geweest zijn.
3.34 Meerdere
gepotte ballen
Alle ballen die tijdens een geldige stoot gepot worden, worden op
de gewone wijze goedgekeurd en meegeteld voor de score.
3.35 Tussenkomst
van niet-spelers
Ballen die bewogen zijn door niet-spelers, doordat een speler
geduwd wordt, ten gevolge van onvoorziene omstandigheden (zoals aardbevingen,
naar beneden vallende verlichting, etc.) worden zo nauwkeurig mogelijk
teruggelegd op hun laatste positie voor het incident, aan de speler aan stoot
wordt dan géén foul toegekend. Als het niet mogelijk is alle ballen in hun
oorspronkelijke positie te herplaatsen, wordt het spel overgespeeld met
dezelfde beginnende speler. Dat laatste geldt niet voor 14-1 Continuous waar
het verstoorde rack volledig opnieuw opgelegd wordt en waar volgens regel 3.5
opnieuw nagegaan wordt wie moet openen, de puntentelling van voor de
onderbreking wordt verder gezet.
3.36 Openen van
opeenvolgende games
In een wedstrijd bestaande uit korte racks (zoals 8-ball &
9-ball) opent de winnaar van een spel het volgende. Ook de volgende
mogelijkheden kunnen door toernooi-officials op voorhand worden aangewezen:
1. beurtelings breaken,
2. breaken door de verliezer en
3. 3)breaken door de in games achter staande speler.
3.37 Om beurt spelen
In de loop van een wedstrijd komen de spelers afwisselend aan
tafel en eindigt een beurt als een speler geen bal geldig pot of hij een foul
maakt. Als een beurt niet op een foul eindigt, aanvaardt de inkomende speler de
positie op de tafel.
3.38 Een genummerde bal
ligt vast tegen de speelbal of tegen de band
Indien de eerste genummerde bal die door de speelbal geraakt wordt
vastligt tegen een band, moet er ofwel
1. een bal gepot worden,
2. moet de speelbal een band raken,
3. moet de vastliggende genummerde bal een andere band raken dan
degene waartegen hij vastlag of
4. dient een andere bal een band te raken waar hij nog niet tegen
vastlag.
Een bal ligt pas vast indien dat door de scheidsrechter expliciet
aangegeven wordt. Wat ballen vastliggend tegen de speelbal betreft, zie
regel
3.18.
14-1 Continuous en andere speelwijzen specificeren nog bijkomende
vereisten voor dergelijke ballen.
3.39 Spelen van achter de
hoofdlijn
Als een speler de speelbal in de hand achter de hoofdlijn heeft,
mag hij deze overal achter de hoofdlijn leggen en moet hij deze eerst over de
hoofdlijn spelen alvorens de speelbal een band of een bal raakt. Lukt dit niet,
en wordt de wedstrijd gearbitreerd door een scheidsrechter, dan maakt hij een
foul.
Wordt de wedstrijd niet gearbitreerd, dan heeft de tengenspeler de
keuze tussen een foul laten optekenen of de speler opnieuw laten spelen met
alle ballen terug in hun oorspronkelijk positie van voor de vorige stoot en
zonder dat een foul gegeven wordt.
Ligt een genummerde bal op of juist over de hoofdlijn (dus buiten
het hoofdveld) zodat de speelbal deze bal raakt voor het verlaten van het
hoofdveld, mag deze bal toch rechtstreeks aangespeeld worden (zie ook regel
3.9). Als, met de speelbal in de hand achter de hoofdlijn en terwijl de speler
een geldige stoot probeert te maken, de speelbal onopzettelijk een bal achter
de hoofdlijn raakt en daarna het hoofdveld verlaat, dan is dat een foul.
Verlaat de speelbal het hoofdveld niet, dan geldt het volgende: de tegenspeler
laat een foul optekenen en krijgt dan de speelbal in de hand of hij laat de
ballen terug op hun vorige posities leggen en laat de stoot herspelen zonder
dat er een foul aangerekend wordt.
Als een speler de speelbal opzettelijk een genummerde bal achter
de hoofdlijn laat raken, dan is dat onsportief gedrag.
3.40 Foul bij bal in de
hand
Voor het positioneren van de speelbal 'in de hand' mag de speler
zijn hand of ieder deel van de keu (pomerans inbegrepen) gebruiken. Iedere
voorwaartse stootbeweging waarbij de speelbal geraakt wordt en die geen geldige
stoot was, is een foul.
3.41 Tussenkomsten
Als een niet aan spel zijnde speler zijn tegenspeler afleidt of in
diens spel tussenkomt, begaat hij een foul. Als een speler buiten zijn beurt
stoot of een bal verplaatst, wordt dit als een tussenkomst gezien.
3.42 Hulpstukken
Spelers mogen geen ballen, de driehoek of enig ander
breedtemetende hulpstukken gebruiken om te bepalen of een speelbal of
genummerde bal ergens tussendoor zou kunnen, etc.. Alleen de keu mag hiervoor
worden gebruikt, en dan alleen als zij in de hand wordt gehouden. Enig ander
gebruik is een foul én onsportief gedrag.
3.43 Ongeldig
aangebrachte markeringen
Als een speler opzettelijk markeringen op de tafel aanbrengt om zo
een stoot te vergemakkelijken, zij het door het bevochtigen van het laken, het
plaatsen van krijt op de banden, of op enige andere wijze, dan begaat hij een
foul. Verwijdert hij deze markeringen voor de stoot, dan wordt er geen sanctie
toegepast.